Licht: Eigenlijk ben ik liever het geluid.

Eva: Oh. Jullie mogen wel ruilen hoor.

Geluid: Nee, ik was al geluid.

Locatie: Ja.

Licht: Laat maar.

Locatie: Mooi is het hier he?

Acteur: Zullen we maar beginnen dan?

Handelingen: Ik ben al begonnen.

Geluid: Lekker lollig.

Acteur zucht verveeld.

Eva: Oke, nou, wie snapt niet wat hij doen moet?

Licht: Ik moest eerst een beetje knipperen he? En dan pas aangaan?

Eva: Ja. Een beetje geheimzinnig als het kan.

Licht: Komt voor elkaar! Lacht trots

Geluid: Wil je nog steeds ruilen? Ik wil wel licht zijn?

Licht: Nee.

Eva: Ja, geluid! Jij zou toch ook geheimzinnig doen? Jullie moeten elkaar een beetje aanvullen!

Geluid: Oke, wat dacht je van tuun tuun tuun?

Eva: Kan ik pas beoordelen als ik de rest ook zie.

Locatie: Ben ik goed zo? Lig ik er lekker bij?

Eva: Ja, doe maar zo neutraal mogelijk!

Handelingen: En ik dan?

Eva: Gewoon een beetje helpen.

Handelingen: Oja.

Toeschouwer: Zijn jullie al begonnen?

Filmprojectie: Ik ben al de hele tijd bezig.

Eva: Ja, je doet het prima.

Acteur: Dus ik loop gewoon een beetje heen en weer?

Eva: Ja, zoals je altijd doet.

Object: En ik?

Acteur: Ik neem jou mee toch? En dan fladder je wat.

Licht: Ja! Begin nou maar!

Eva: Ja we beginnen.

Geluid: Was tuun tuun tuun nou goed?

Eva geirriteert: Jahaaa... nou, kom op, stilte (gebaart met handen) 1, 2, ...


tekst januari 2008

Romantisch heb je de emmer
Buiten mijn zicht geplaatst
Je maakt zo min mogelijk
geluid als je kotst
En veel excuses.
Jij slaapt en snurkt
En trekt de dekens naar je toe
Mijn tenen worden blauw
En mijn kuit verkrampt
Oh nee mevrouw
Oh nee meneer
Ik deed het echt niet expres
Het was heus zonder opzet
Werkelijk per ongeluk, ik was
Even onoplettend zodat
Ik met mijn karretje
-Het spijt mij vreselijk-
Tegen uw bibs stootte

Wilt u misschien mijn
bonuskaart lenen?
Hij hield zoveel van haar, dat hij altijd zo probeerde te zitten of staan dat de zon niet in haar ogen scheen. Zij kocht nooit een zonnebril.
'Waar gaat het over dan?' vraagt u met oprechte interesse.
'Ik,' zeg ik, 'geloof niet zo erg in authenticiteit.'
'Oja,' zegt u, 'op die manier.'
U blijft stil en denkt even na. 'Interessant hoor. Leuk.' zegt u dan.
'Dank u.' zeg ik netjes. We glimlachen naar elkaar. U kunt het erg goed.
'Doet u ook iets met kunst?'
U grijnst en knipoogt met uw groene linkeroog naar me.
'Ik acteer.' zegt u dan trots.
Helemaal zoals ik graag wilde dat u het zeggen zou.


(tekst voor eindexamencatalogus)
Joke
tekst voor theaterworkshop

Goedenavond, dames en heren.
Mijn naam is Joke.
Voor ik het toneel opkom, wil ik u graag iets mededelen.
Straks verschijn ik namelijk ten tonele en ja, gelijk zodra u mij ziet,
vormt u zich natuurlijk een oordeel over mij. Een eerste indruk, zo gezegd.
Nu, daar ligt voor mij het probleem.
De eerste indruk, schuine streep, het eerste oordeel dat men zich over mij vormt blijkt namelijk niet de indruk te zijn die ik graag wil wekken.
Ik heb navraag gedaan bij kennissen, vrienden, bekenden en het blijkt dat veel mensen hun eerste indruk over mij beschrijven met één of beide van de volgende twee woorden: lief... en... stil....
Nu, dames en heren, ligt het probleem hierin dat ik de woorden... lief... en... stil... associeer met:

Meningloos,
Niet-assertief,
On-productief,
Niet creatief,
Angstig,
Meeloper,
Altruïstisch (en dat zal ik even toelichten: altruïstisch betekend dat je dingen voor anderen doet zonder eigenbelang, kortom zelfopofferend en zijig gedrag)
Onopvallend,
Meelijwekkend,
Dom,
Weinig ideeën,
Grijs,
Huismus,
Saai,
Netjes en Opgeruimd,
Zeurderig,
Normaal en
Doorsnee.

Dit terwijl ik liever bij u een eerste indruk wil wekken die te omschrijven is met een of meer van de volgende woorden:

Eigen mening,
Assertief,
Productief,
Creatief,
Zelfverzekerd,
Een leider,
Egoïstisch (doch aangenaam in de omgang),
In het oog springend,
Bewonderingswaardig,
Intelligent,
Bruisende bron van inspirerende ideeën,
Niet grijs maar oranje slash kleurrijk,
Femme Fatale,
Interessant,
Chaotisch en Rommelig,
Onafhankelijk,
Apart en
Gek.

Nu, dat laatste zal ik even toelichten.
Ik heb mij net aan u voorgesteld als zijnde Joke, maar eigenlijk heet ik Eva.
Tot slot wil ik, voor ik opkom, graag de hoop uitspreken dat u uw eerste indruk over mij negatief zult bijstellen en ik wil u vast bedanken voor de aandacht.

Monoloog theaterworkshop

Hij zat bij mij in de kleuterklas.
Hij droeg altijd een paarse trui, met zo'n wit colletje erboven uit. Een beetje parmantig. Bruine ribbroek. Zwarte afgetrapte schoenen, stoffig van de zandbak.
Hij had blond haar, heel blond, net als zijn wenkbrauwen. Een beetje een langwerpig gezicht. Kleine fijne handen.
Zijn ogen waren blauw en hij was slim. Zijn ouders noemden hem thuis liefkozend ‘professortje’. Op zijn vierde kon hij als enige in de klas heel mooi en netjes zijn naam schrijven en strak zijn veters strikken.
Daniël hadden ze hem genoemd. Daniel had, en dat was wel vervelend, last van zijn darmpjes. Waarschijnlijk zou hij er wel overheen groeien, maar het maakte hem wat winderig.
Op zijn stoel in de kleuterklas van juf Maud zat een sticker met een slak. Zelf had ik toen het eendje. Dat was handig, want zo wist je altijd welk stoeltje van jou was.
Vaak kwam hij met zijn slak naast mijn eendje zitten. Ik probeerde nog wel naast Wendy te gaan zitten, die had een pony, of liever nog naast Maurice (die had een hond) of Matthijs (met de leeuw) of tussen die twee in –dan mocht je een wens doen, als je tussen twee jongens zat- maar op een of andere manier zat ik altijd naast Daniël met zijn slak. Dan peuterde hij iets uit zijn neus, liet een windje en zei dan heel zachtjes: ‘Wij gaan later trouwen, he Eva?’
Fragmenten uit AlsOf -scriptie AKV St. Joost-
[...]

Twijfelend staat ze op de steile oever.
Niet zeker of het ijs sterk genoeg zal zijn haar gewicht te dragen.
De ijzers van haar schaatsen drukken zichzelf steeds dieper de aarde in.
Dwars door het bevroren gras.
Als ze lang genoeg blijft staan beslist de kou voor haar.
Vriest ze vast aan de aarde.
Ze blaast in haar handen, wiebelt met haar tenen in de schaatsen.
Kijk nog eens om. Eén raam verlicht. Het huis, lokkend.
Het ijs is doorzichtig, het water zwart. Ze kijkt om. Weer terug. Weer om.
Ze krijg kramp in een teen. Een been. Weer terug, weer om.


[...]

Fanny: Gewoon kwaad. Ik ben echt kwaad.
Olaf (tegen publiek): Misschien een nieuwe poging. Misschien… Als het al is zowieso na de zomer. (kijkt naar Fanny) Maar ook of Fanny het wil ja of nee.
Fanny (tegen Olaf): Ik weet het niet, van die overstimulatie ben ik gewoon heel erg geschrokken.
Olaf (tegen Fanny): Ok, ja maar dan kunnen ze wat doen om wat minder hormonen te geven van te voren.
Fanny (tegen Olaf): Ja, oke, maar dan is het nog geen garantie dat… (zucht)
Plus heel die IVF, heel die hormonen weer in je lijf, weer...


[...]

Voorzichtig leg mijn oor tegen het koude steen. Ik hoor het heel duidelijk.
De muur zucht. De muur is moe.
Ik ook, ik zucht terug naar de muur. Het baksteen kreunt onder de druk van mijn wang. Ik leg mijn lippen op een kiertje en sluit mijn ogen. Laat de vochtige lucht van de muur bezit van me nemen. Mijn handen duw ik in de muur. Steen voelt als water. De mortel ruist en vult mijn oren. Ik ga op in het zuchten van de zee. Laat mezelf zinken. Heel voorzichtig open ik klein spleetje van mijn rechteroog. Op mijn neus zit een spinnetje. Hij kijkt me aan met alle acht zijn oogjes. Glimlacht dan beleefd. Ik glimlach terug. We ademen water samen.
Alles komt goed.


[...]

Dan kruipt ze terug en legt haar koud geworden hand op zijn dij. Hij schrikt wakker en slaat de hand van zich af. Moeizaam kijkt hij over zijn schouder ‘Ben je hier nou nog steeds?’
‘Wat is kunst, Marcel?’ Hij laat zijn hoofd terug op het kussen vallen. Zij wurmt zich terug in haar oude positie. Een klein kusje in zijn nek. ‘Nou?’
‘Kunst...’ zegt Marcel twijfelend ‘Waarom vraag je dat?’
‘Je bent toch kunstenaar?’ Haar adem kriebelt in zijn nek. Ze heeft hem herkent.
‘Je bent mijn lievelingskunstenaar, Marcel.’ zegt ze. ‘Met je mossels.’
‘Kunst,’ zegt Marcel ‘kunst is dat jij hier ligt met mij.’
Hij kan haar niet zien maar voelt dat ze glimlacht.

[...]
Langzaam vult de schemer
Mijn denken, mijn hoofd
De zon geeft zich uitgeput
Over aan de stralen van
De duisternis
Ze priemen in mijn ogen
En verleiden me 
Tot wat nooit licht ziet

December 2007
Twijfelend staat ze op de stijle oever. Niet zeker of het ijs sterk genoeg zal zijn haar gewicht te dragen.
De ijzers van haar schaatsen drukken zichzelf steeds dieper de aarde in. Dwars door het bevroren gras. Als ze lang genoeg blijft staan beslist de kou voor haar. Vriest ze vast aan de aarde.
Ze blaast in haar handen, wiebelt met haar tenen in de schaatsen.
Kijk nog eens om. Eén raam verlicht. Het huis, lokkend.
Het ijs is doorzichtig, het water zwart. Ze kijkt om. Weer terug. Weer om.
Ze krijg kramp in een teen. Een been. Mist rond haar been. Ze kijkt om.
Weer terug, weer om. Het ijs is gesmolten, het licht is gedoofd. Ze verkrampt.


November 2007
ZOUT

Er was eens een jongetje dat liep over straat.
De straat was nat en grauw en glad. Het jongetje tien en al best groot en sterk. Hij had al gerookt en gekust. Ze blooste na hun eerste zoen. En wanneer de meester haar iets vroeg.
Het jongetje dacht aan zijn kauwgom in het laatje van het bureau van de meester.
Toen kwam hij aan bij het voetbalveldje. Staarde naar het natte gras en deed net of hij al zestien was. Keek om zich heen, een vogel, boom de lucht; helemaal alleen. Daar bleef hij staan. Dichtbij het hek achter het doel. Hij voelde de tranen veel warmer dan de regen in zijn nek. En zout.

(2006)
Hier zit ik met mijn ballen
Om mij heen op de grond

(2006)
Ik mis mijn beeld van jou

(2006)
Ik ziet hier en kijk
Naar de rare wereld

(2006)
Die maanloze maandagavond
Arriveerde het peleton
Van donkere gedachten

(2006)
Te dikke borsten in
Een te strakke jas

Ik zag mezelf al bij de EHBO
Met een knoop in mijn oog
2006